skyline
 

Björk – Royal Albert Hall : Liefde is de koning van de dieren

bjorkalbert

All walls are great if the roof doesn’t fall
The man you will marry, the home you will share”

Het profetische karakter van dit fragment uit de hoeksteen van ‘Selmasongs’ – ‘I’ve Seen It All’ – kwam pas vorig jaar opnieuw in het voetlicht dankzij ‘Vulnicura’, de openhartoperatie die Björk onderging om de scheiding van artiest Matthew Barney te verwerken. Geen toeval dat deze tekstregels ook de avond in de Royal Albert Hall emotionele contouren schonken. De ondertussen 50-jarige artieste en moeder van twee is relevanter dan ooit. Als perfecte cross-over tussen gauche popcultuur en nietsontziend avant-gardisme was ‘Vulnicura’ meer dan ooit een door technologie gestuurd manifest. De aanpak die eerder ook bij ‘Biophilia‘ gebruikt werd, slaat aan bij een relatief breed publiek – al moet gezegd dat de complexe maatsoorten en melodieën velen het luistergenoegen in de weg staan – en werd met de tentoonstellingen in het MoMa (New York) en nu Björk Digital in Somerset House (Strand, Londen) doorgetrokken.  Des te interessanter dus dat Björk koos voor een volledig uitgebeende opvoering in de majestueuze Albert Hall, zij het ondersteund door het stevigst mogelijke exoskelet: het Aurora Orchestra onder leiding van dirigent Andrew Gourlay.

Het exclusieve karakter van de show (even abstractie makend van de Hammersmith Apollo show) vroeg om een bijzondere artistieke aankleding. Niet alleen letterlijk, de wardrobe eccentricities zijn alom bekend, maar ook inzake opbouw van de set. Met een interval na drie kwartier deed het hele opzet theatraal aan, al bleek de pijn van de onderbroken spanningsboog best te harden. Het eerste bedrijf bestond uit een integrale plusversie van de eerste zes ‘Vulnicura’-songs; een geheel dat de vijfduizend koppen tellende zaal met een gekneusd liefdesgewricht achterliet. Een vlot over de tien minuten gaande versie van ‘Black Lake’ vormde ook live dé kernkastijding, mede door de bijzondere directie van Gourlay die het orkest in dialoog met Björk naar het zenit leidde. Björk zelf, getooid in een Goatesk masker, toonde het volledige spectrum van haar met gratie ouder wordende stem.

Na de korte pauze besloot de IJslandse enkele publieksfavorieten te combineren met de rest van ‘Vulnicura’ én sommige onverwachte deep cuts. Dit alles na een kledingwissel die haar terugbracht in een kwallenpak (jawel). Over ‘I’ve Seen It All’ hoeft nog weinig gezegd. Emotionele horror van de Von Trier-stempel. De juxtapositie tussen de gebroken Selma Ježková uit ‘Dancer in the Dark’ en de absolute controle in het stemgeluid blijft een absurde gewaarwording, zeker in het dreigende, tergend trage slot. Ook de heidense magie van ‘Pagan Poetry’ bleef intact. Meer nog, tijdens de verstilde ‘I love him’-mantra benadrukte Björk elke ‘him’ met een stevige (én in de doodstille zaal hoorbare) trap op de bühne, en werd ze spontaan beantwoord door het gepassioneerde kennerspubliek: ‘she loves him’. Elke verwijzing naar haar huwelijk voorzag ze van een brede, haast sarcastische glimlach. Emotioneel exhibitionisme laten verworden tot kunst? Een oefening die zelden tot een goed einde gebracht wordt. Björk omzeilde de klip echter probleemloos. Ook ‘Jóga’ kreeg een voorkeursbehandeling. Waarschijnlijk dé publieksfavoriet bij uitstek werd voorzien van een bizar lange, maar heerlijke slepende outro die het bekende strijkersarrangement trager en trager in de oren lepelde.

Een tweede interval was van kortere duur. De encore werd aangevat met de ode aan de heimat: ‘Anchor Song’ uit ‘Debut’. ‘This is where I’m staying/ This is my home’, klonk het uitgepuurd. In zoverre het nog niet duidelijk was: Londen is en blijft een tweede thuis voor Björk. Dat bleek eens te meer tijdens setafsluiter ‘Pluto’. Met strijkers een behoorlijk andere tendens, maar van krachtverlies was er allerminst sprake. ‘Time for a dance, maybe a little one’, prevelde ze tegen een uitzinnige Albert Hall. Na afloop van de ‘Homogenic’-classic, wanneer de zaallichten al lang opnieuw brandden, bleef de zaal de ‘ooh ooh ooooh’s’ die ‘Pluto’ zo kenmerken nog minutenlang scanderen. Waarop Björk zich toch verplicht voelde om nog een laatste keer gedag te zeggen tegen een Albert Hall, die met een gerust gemoed huiswaarts kon (om 21u30 plaatselijke tijd, stelt u zich dat even voor).

Björk is anno 2016 nog steeds en misschien meer dan ooit richtinggevend. Haar dialectische aanpak en vermogen om emotie tot klank te verwerken maken haar tot een artieste die zowel kan aarden in de Royal Albert Hall als in het iets verder liggende Somerset House. Een spreidstand die met de ene voet in de popcultuur staat en met de andere in de onconventionele, moderne kunstwereld. ‘Love is the king of the beasts, and when it’s hungry it must kill to eat’, stelde Bill Callahan ooit. Björk bewees deze stelling woensdagavond nog maar eens.

Geschreven door Stef Claes.

Foto door Santiago Felipe, ook te raadplegen op sociale media van de Royal Albert Hall/Björk.